Acceso directo al contenido

DNA

De levensvormen die wij kennen in de wereld verschillen in veel opzichten van elkaar. Echter, al die vormen hebben een gemeenschappelijk basismateriaal, het DNA. Het DNA is verantwoordelijk voor de gelijkenissen tussen ouders en hun kinderen en zorgen voor een gemeenschappelijk model van organismen van dezelfde soort. Het DNA beval alle genetische informatie; het is als het ware de code van het leven.

DNA (Desoxyribonucleïnezuur)

DNA is een molecuul dat fungeert als belangrijkste drager van erfelijke informatie in alle bekende organismen en virussen.

Het meeste DNA bevindt zich in de nucleus van de cellen. Iedere cel in ons lichaam bevat een kopie van deze genetische informatie. Een DNA-molecuul bestaat uit twee lange strengen van nucleotiden, die in de vorm van een dubbele helix met elkaar vervlochten zijn. Dat is voor veel mensen het typische beeld wat in hen opkomt als ze aan DNA denken.

Het DNA-molecuul bestaat uit nucleotiden. Nucleotiden zijn kleinere moleculen in vier verschillende typen: Adenine (A), Thymine (T), Cytosine (C) en Guanine (G). Deze vier moleculen vormen basenparen en zijn verantwoordelijk voor de erfelijke informatie.

Als de celverdeling plaatsvindt wordt het genetisch materiaal in de chromosomen geplaatst.  Op de chromosomen zitten de genen.  Chromosomen zijn voor te stellen als lange strengen. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. Soms kunnen er mutaties optreden tijdens de celdeling. Mutaties zijn ongewilde veranderingen in het DNA van de cel. We hebben allemaal een aantal mutaties in onze genen en dat zorgt er grotendeels voor dat we van elkaar verschillen. Soms zorgen mutaties voor een gunstige invloed op het te produceren eiwit. Deze positieve mutaties geven het organisme met deze mutatie een grotere overlevingskans. Echter kan het kan echter ook gebeuren dat er een mutatie met een negatieve invloed voorkomt; deze mutatie kan dan een negatief gevolg hebben zoals bijvoorbeeld het ontstaan van een ziekte. Gelukkig hebben de meeste mutaties geen negatieve invloed op het te produceren eiwit.

Elke menselijk lichaamscel bevat 23 paren homologe chromosomen, 46 chromosomen in totaal. Bij de verwekking van een kind, komen dus 23 chromosomen van de vader en 23 chromosomen van de moeder bij elkaar die een nieuwe, bevruchte cel maken bestaande uit 46 chromosomen. Het DNA in elk chromosoom vormt vele genen. Het gen van het codagebied codeert instructies die een cel toestaan om een specifiek proteïne of een enzym te produceren. Deze zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor de aanwezigheid of afwezigheid van een fysiek kenmerk of een erfelijke aanleg voor een bepaalde ziekte.

Genetica is de wetenschap die (onder andere) de genetische identiteitskaart van de mens bestudeert en in kaart brengt hoe de genetische overdracht verloopt. Genomica is de studie van de genen, hun interactie en de invloed van het milieu. Deze wetenschappen zijn belangrijk voor ons lichaam omdat het genoom hetzelfde is in alle cellen van het lichaam hetzelfde is.

 

De cellen van de huid, hersenen en het hart zijn verschillend, maar het is het genoom dwat die verschillen verklaartd. Elke gen bevat een eiwit met een gespecialiseerde functie. De ongeveer 20.000 genen in een cel leiden de groei, ontwikkeling en gezondheid van deze cel en daarmee de gezondheid van de mens (of dier). Het genoom is de complete set genen van de mens en is altijd uniek, met uitzondering van identieke tweelingen: die hebben hetzelfde genoom..